Korte samenvatting van de beslissing:
De onderzoekscel van de VRM heeft een onderzoek ingesteld naar de uitzendingen van de Finse fictiereeks ‘Queen of Fucking Everything’, uitgezonden vanaf 26 juli 2025 door VRT. De zes afleveringen van de reeks werden onderzocht op de naleving van de bepalingen ter bescherming van minderjarigen bij het bekijken van televisiediensten.
De VRM ontving reeds eerder een klacht m.b.t. het tonen en promoten van gewelddadig en destructief gedrag in deze serie. Bij beslissing 2025-041 (12 september 2025) werd de klacht kennelijk onontvankelijk verklaard. De onderzoekscel van de VRM werd verzocht aangaande deze thematiek een onderzoeksrapport op te stellen.
Het onderzoek was er met name op gericht om na te gaan of bij het uitzenden van de serie door de VRT de bepalingen met betrekking tot de bescherming van minderjarigen werden gerespecteerd, die zijn opgenomen in artikel 42 van het Mediadecreet en het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2024 over het verstrekken van informatie aan de kijker over programma’s die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten, dat op 30 september 2024 in werking getreden is.
De onderzoekscel heeft daarbij de uitzendingen van de zes afleveringen van de reeks onderzocht met betrekking tot de door VRT bepaalde leeftijds- en inhoudsclassificaties, waarbij tevens wordt verwezen naar de beschrijvende criteria voor de inhoudelijke categorieën van mogelijks schadelijke inhoud in de gids ‘Leeftijds- en inhoudsclassificatiesysteem voor audiovisuele media’.
Beoordeling door de VRM
In eerste instantie zijn de uitgangspunten voor de bescherming van minderjarigen bij het bekijken van lineaire en niet-lineaire televisiediensten, met de verplichtingen voor de televisieomroeporganisaties waarop de kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen toezicht uitoefent, opgenomen in artikel 42 van het Mediadecreet.
Daarin wordt als basisprincipe een relatief verbod voorgeschreven aan televisieomroeporganisaties om programma’s uit te zenden die “de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten” (artikel 42, eerste lid, van het Mediadecreet).
Programma’s met een potentieel schadelijk karakter, vaak afhankelijk van en verschillend per leeftijd, mogen enkel worden uitgezonden indien door de betrokken televisieomroeporganisatie is gewaarborgd dat minderjarigen, desgevallend onder een bepaalde leeftijd, deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Daarvoor moeten maatregelen worden genomen evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.
Televisieomroeporganisaties moeten ook voldoende informatie verstrekken aan de kijkers over programma’s die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kunnen aantasten, door middel van een systeem dat het potentieel schadelijk karakter van de programma’s nader omschrijft (artikel 42, tweede lid, van het Mediadecreet).
De nadere voorwaarden en procedures over het verstrekken van informatie aan de kijker zijn vastgelegd door de Vlaamse Regering bij besluit van 19 januari 2024. Dit is op 30 september 2024 in werking getreden en op basis ervan werd het classificatiesysteem ‘GoedGezien’ geïmplementeerd in de Vlaamse Gemeenschap. Om het potentieel schadelijke karakter te beoordelen vormt het classificatiesysteem ‘GoedGezien’, met inbegrip van de inhoudelijke categorieën van schadelijke inhoud die het hanteert (‘geweld’, ‘angst’, ‘seks’, ‘verslavende middelen’, ‘grof taalgebruik’ en ‘negatieve beeldvorming’), dus een belangrijke leidraad.
Niet ter betwisting staat in deze dat de reeks Queen of Fucking Everything wat de inhoudelijke categorie ‘geweld’ betreft elementen bevat die een negatieve impact zouden kunnen hebben op de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen – getuige waarvan het feit dat VRT geen classificatie ‘AL’ (alle leeftijden) aan de reeks heeft toegekend op dit vlak, maar een algemene leeftijdsclassificatie ‘10’ (vanaf 10 jaar).
In tegenstelling tot VRT is de Kamer echter van oordeel dat ook voor wat betreft andere afleveringen dan de als enige van een afwijkende zwaardere classificatie voorziene zesde aflevering, het daarin aanwezige geweld van dien aard is dat het ook voor 10+-jarigen nog potentieel schadelijk kan zijn voor hun lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling. De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen verwijst in de beslissing o.a. naar bepaalde scènes en fragmenten in de vierde aflevering van de reeks. Ook in de eerste en vijfde aflevering worden meermaals gewelddadige handelingen evenals de resulterende verwondingen van gewelddadig gedrag in beeld gebracht, zonder verdere omkadering.
De kamer is daarenboven van oordeel dat in verschillende afleveringen wel degelijk sprake is van grof taalgebruik, hoewel VRT deze inhoudelijke categorie initieel als ‘niet aanwezig’ had aangemerkt (en dus ook dit inhoudspictogram nergens toonde).
De kamer is van oordeel dat de wijze waarop het ‘GoedGezien’ classificatiesysteem werd toegepast door VRT, ertoe heeft geleid dat minstens met betrekking tot bepaalde afleveringen van deze reeks onvoldoende informatie over hun potentiële schadelijkheid werd verstrekt in de zin van artikel 42, tweede lid, van het Mediadecreet, zodat hier een inbreuk op deze bepaling voorligt.
Voor zover nodig wijst de Kamer erop dat een en ander vervolgens evenzeer met zich meebrengt dat minstens voor bepaalde afleveringen niet het aangewezen leeftijdspictogram en/of de aangewezen inhoudspictogrammen werden en worden getoond. Hiermee ligt derhalve tevens een inbreuk voor op artikel 4, § 1 en § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2024, niettegenstaande de op het ogenblik van het onderzoek op het scherm en op de programmadetailpagina’s getoonde pictogrammen op zich in overeenstemming waren met de toen door VRT in de databank ingegeven – ontoereikende – classificaties.
Hoewel de door VRT vooropgestelde maatregelen tot slot op zich genomen in casu niet noodzakelijk onevenredig zijn aan de mogelijke schade die de betrokken programma’s kunnen berokkenen, in de zin van artikel 42, eerste lid, van het Mediadecreet, brengt het feit dat minstens voor bepaalde afleveringen een ontoereikende leeftijdsclassificatie en/of onvoldoende inhoudsclassificaties werden en worden gehanteerd, noodzakelijkerwijs met zich mee dat de genomen maatregelen die voor hun werkzaamheid van deze classificaties afhankelijk zijn, meteen ook ondoelmatig waren en zijn.
Aldus waarborgt VRT niet afdoende dat minderjarigen van de betrokken voor deze mogelijke schade te behoeden leeftijdscategorie, deze programma’s normaliter niet te horen of te zien krijgen, en begaat zij derhalve eveneens een inbreuk op artikel 42, eerste lid, van het Mediadecreet.
Bij de beoordeling van de wenselijkheid om een sanctie op te leggen voor de vastgestelde inbreuken houdt de kamer er vooreerst rekening mee dat het ter uitvoering van artikel 42, tweede lid, van het Mediadecreet genomen besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2024 vrij recent, op 30 september 2024, in werking is getreden, en dat het ingerichte classificatiesysteem en de bijbehorende gids die door omroeporganisaties als leidraad wordt gebruikt bij het classificeren van programma’s derhalve vatbaar zijn voor verdere verduidelijking en optimalisatie.
Bovendien is de kamer van oordeel dat VRT voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij doorheen haar werking de bescherming van minderjarigen zeer ernstig neemt en er in het algemeen veel zorg aan besteedt om tot een zorgvuldige afweging te komen over het al dan niet toekennen van bepaalde leeftijds- en inhoudsclassificaties aan haar programma’s.
Zij heeft er daarnaast ook nota van genomen dat VRT afgaande op de vaststellingen reeds de inhoudsclassificatie ‘grof taalgebruik’ en het bijbehorend pictogram heeft toegevoegd.
Gegeven de omvang en de draagwijdte van de inbreuken, komt het de kamer tot slot voor dat de potentiële schadelijkheid voor de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen van de betrokken leeftijdscategorie in casu geacht mag worden niet van dien aard te zijn dat de mogelijks resulterende schade ernstige gevolgen kan hebben.
De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen besluiten dan ook geen sanctie op te leggen voor de vastgestelde inbreuken.