3.1. Algemene bespreking van de beslissingen
Net zoals de voorbije twee jaar maken de beslissingen over commerciële communicatie opnieuw de meerderheid van de beslissingen van de algemene kamer van de VRM uit (negenentwintig beslissingen, zie infra), en niet langer de beslissingen in radio-gerelateerde zaken zoals van 2018 tot 2022 het geval was (slechts vijf beslissingen, zie infra). Dit is voor een groot deel te wijten aan het opnieuw aanzienlijke aantal beslissingen inzake herkenbaarheid van commerciële communicatie bij content creators die met hun kanalen en profielen onder de toepassing van het Mediadecreet vallen (vierentwintig beslissingen, zie infra). Daarnaast valt op dat de stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector aanzienlijk meer beslissingen voor haar rekening neemt dan in 2024 het geval was (vijftien beslissingen, zie infra).
3.1. Drieëntwintig beslissingen handelen in 2025 niet over commerciële communicatie.
3.1.1. Radio
Er werden vijf beslissingen genomen in radio-gerelateerde zaken.
3.1.1.1. Nostalgie+
Eén beslissing resulteerde uit de verderzetting van een ambtshalve opgestarte procedure.
De VRM nam met name opnieuw een beslissing in het dossier rond Nostalgie+, in opvolging van beslissingen 2023/031, 2023/055, 2024/033 en 2024/064, waarover meer in de vorige jaarverslagen.
Gelet op beslissing 2024/064 van 18 november 2024, waarbij door de VRM een administratieve geldboete van 30.000 euro werd opgelegd aan SBS Media Belgium, diende deze laatste zich tegen uiterlijk 15 februari 2025 te conformeren aan het Mediadecreet.
In het kader van de opvolging van deze beslissing heeft de onderzoekscel van de VRM drie controleverslagen voorgelegd met betrekking tot de uitzendingen van Nostalgie+, dit op basis van luisteronderzoeken op dinsdag 18 februari 2025, zaterdag 22 februari 2025 en vrijdag 7 maart 2025.
Artikel 143/3, § 1, van het Mediadecreet bepaalt dat netwerkradio-omroeporganisaties zich voor de volledige duur van hun erkenning moeten houden aan de basisvoorwaarden, vermeld in artikel 143/1 en 143/2, § 1, in overeenstemming waarmee de Vlaamse Regering de erkenning heeft uitgereikt.
Netwerkradio-omroeporganisaties hebben met name de specifieke taak, als één van de basisvoorwaarden van hun erkenning, om binnen het aan hen toegewezen verzorgingsgebied een programma-aanbod te brengen dat is opgebouwd uit luistertijd rond het thema, profiel of aanbod waarvoor zij zijn erkend (artikel 143/1 van het Mediadecreet).
SBS werd erkend als netwerkradio-omroeporganisatie voor ‘frequentiepakket 1 – generalistisch profiel’.
Uit de vaststellingen bij de hogervermelde eerdere beslissingen bleek telkens dat de uitzendingen van SBS niet konden worden beschouwd als het brengen van een programma-aanbod of een geheel van programma’s opgebouwd rond een generalistisch profiel waarvoor SBS als netwerkradio-omroeporganisatie was erkend, maar dat SBS na elke ingebrekestelling wel beperkte verbeteringen aanbracht.
Uit de recentste luisteronderzoeken blijkt dat SBS zich heeft geregulariseerd.
De vaststellingen tonen aan dat SBS een aantal elementen aan haar uitzendingen heeft toegevoegd, zoals bijkomende live-programma’s, een grotere redactionele inbreng met gevarieerde rubrieken, interactieve elementen zoals muziekkeuze van de luisteraars, wedstrijden, een aanbod aan informatie/actualiteit binnen de programma’s en verkeersinformatie.
Bijgevolg beslist de VRM tot de stopzetting van de procedure op tegenspraak tegen nv SBS Media Belgium (beslissing 2025/011).
3.1.1.2. Uitzenden via DAB+
Twee beslissingen betroffen het uitzenden via DAB+.
Bij beslissing 2025/010 werd een tijdelijke licentie voor het aanbieden van een radio-omroepnetwerk (DAB+ 5A/5D) toegekend aan het samenwerkingsverband tussen nv DPG Media en nv SBS Media Belgium.
Eerder werd bij beslissing 2018/044 van 22 oktober 2018 de licentie voor het aanbieden van een radio-omroepnetwerk (DAB+) toegekend aan Norkring België nv (benaming later gewijzigd naar Belgian Tower Company nv – BTC). Het betreft de licentie voor de frequentiekanalen 5A/5D, en dit voor een termijn van 15 jaar.
Op 10 februari 2025 ontvangt de VRM van BTC het bericht waarin wordt meegedeeld dat zij haar DAB+-uitzendingen via de frequentiekanalen 5A/5D zal stopzetten op 31 maart 2025 om 23u59min59sec. BTC ziet hierbij af van de haar toegekende licentie, zonder toestemming te vragen om deze licentie aan een derde te mogen overdragen overeenkomstig artikel 201, § 1, van het Mediadecreet.
Op 24 maart 2025 ontvangt de VRM een door nv DPG Media en nv SBS Media Belgium ingediende aanvraag tot het verkrijgen van een tijdelijke licentie voor het aanbieden van een radio-omroepnetwerk.
Artikel 201, § 4 van het Mediadecreet, toegevoegd bij decreet van 21 maart 2025 tot wijziging van artikel 201 van het Mediadecreet, bepaalt m.b.t. de uitzendingen via etheromroepnetwerken het volgende:
“Als een licentiehouder afziet van zijn licentie om een etheromroepnetwerk aan te bieden en om de bijbehorende zendvergunningen te krijgen die bestemd zijn voor het aanbod van vrij te ontvangen radio-omroepprogramma’s en als daardoor uitzendingen op een frequentieblok abrupt stopgezet worden, kan de Vlaamse Regulator voor de Media een tijdelijke licentie met tijdelijke zendvergunningen uitreiken aan een samenwerkingsverband van omroeporganisaties dat op het ogenblik van de stopzetting gebruikmaakt van dat etheromroepnetwerk. De omroeporganisaties van dat samenwerkingsverband oefenen de hun toegekende gebruiksrechten gezamenlijk en collectief uit. Als een van de omroeporganisaties niet langer deel uitmaakt van het samenwerkingsverband, wordt het voortgezet door de resterende leden.
[…]
De licenties en zendvergunningen, vermeld in het eerste lid, worden verleend tot en met 31 december 2027.”
Als samenwerkingsverband van omroeporganisaties dat op het ogenblik van de stopzetting gebruikmaakt van dat etheromroepnetwerk komen nv DPG Media en nv SBS Media Belgium in aanmerking voor het verkrijgen van de door hen aangevraagde tijdelijke licentie voor het aanbieden van een radio-omroepnetwerk.
Om de uitzendingen te blijven garanderen kent de VRM aan het samenwerkingsverband de tijdelijke licentie toe. Deze wordt uitgereikt voor de termijn 1 april 2025 – 31 december 2027.
Bij beslissing 2025/014 werd overgegaan tot de wijziging van het toegewezen frequentiekanaal voor de tijdelijke zendvergunningen van vzw DAB+ West-Vlaanderen.
Met ingang van 1 februari 2022 heeft de VRM drie tijdelijke zendvergunningen toegekend aan het lokale DAB+-proefproject ‘DAB+ West-Vlaanderen’, voor zendlocaties te Roeselare, Torhout en Brugge, met gebruik van frequentiekanaal 10D.
Volgens artikel 218, § 2, 2°, van het Mediadecreet kan de algemene kamer van de VRM deze tijdelijke zendvergunningen ook wijzigen. Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2003 betreffende de toekenning van zendvergunningen aan de erkende particuliere landelijke, netwerk- en lokale radio-omroepen bepaalt dat voor de optimalisatie van het frequentieplan de toegewezen frequentie(s) op ieder ogenblik door (een) andere gelijkwaardige frequentie(s) kan (kunnen) worden vervangen.
Naar aanleiding van de stopzetting van landelijke DAB+-uitzendingen via frequentiekanalen 5A/5D, werd zoals reeds aangegeven een tijdelijke licentie voor het aanbieden van een radio-omroepnetwerk toegekend, om de uitzendingen te blijven garanderen, aan het samenwerkingsverband van de omroeporganisaties nv DPG Media en nv SBS Media Belgium. Het samenwerkingsverband verkreeg meerdere zendvergunningen voor de frequentiekanalen 5A/5D.
De Vlaamse minister van Brussel en Media, bevoegd voor het frequentiebeleid, geeft in haar brief van 29 april 2025 aan de VRM aan dat zij mogelijkheden ziet om de frequentieblokken 5A en 5D, in plaats van voor landelijke DAB+-dekking, in te zetten voor bovenlokale DAB+. Dit zowel vanuit economische invalshoek als om redenen van spectrum-efficiëntie, in het belang van de lokale radiosector en de uitwerking van een bovenlokaal DAB+-frequentieplan.
Zij geeft daarbij aan dat bij de keuze voor frequentieblok 10D, ter vervanging van de frequentiekanalen 5A/5D, om op korte termijn gans Vlaanderen te bedienen, de impact op de lokale proefprojecten zo minimaal mogelijk wordt gehouden, aangezien op die manier het minst aantal frequentieblokken moet worden herschikt. Niettemin zou in dat geval vzw DAB+ West-Vlaanderen aangepaste zendvergunningen moeten verkrijgen, die niet langer gebruikmaken van frequentiekanaal 10D, maar wel van 10A. De bevoegde minister vermeldt dat de frequentiewissel ten laatste op 1 mei 2025 moet doorgaan.
Vzw DAB+ West-Vlaanderen blijkt echter niet bereid om op vrijwillige basis over te gaan tot de frequentiewissel.
Uit de brief van de minister blijkt dat het samenwerkingsverband nv DPG Media en nv SBS Media Belgium bereid is om de werkelijke technische kost van de frequentiewissel te dragen en een marketingcampagne ter beschikking te stellen waardoor de impact van de frequentiewissel tot het minimale herleid wordt.
Bij een wissel, voor de optimalisatie van het frequentieplan, van frequentiekanaal 10D naar het gelijkwaardige frequentiekanaal 10A, is er geen negatieve impact op de technische voorwaarden die de uitzendmogelijkheden van het proefproject regelen. De frequentiewissel brengt vzw DAB+ West-Vlaanderen derhalve geen nadeel toe.
De Vlaamse Regulator voor de Media beslist dan ook in de tijdelijke zendvergunningen van vzw DAB+ West-Vlaanderen voor het testproject ‘Lokaal/provinciaal Proefproject DAB+’, het toegewezen frequentiekanaal 10D te wijzigen door frequentiekanaal 10A (voor de sites Roeselare, Torhout en Brugge), met een geldigheidsduur van 1 mei 2025 tot 31 januari 2026.
3.1.1.3. Andere beslissingen m.b.t. radio
Daarnaast betrof één beslissing de niet-toekenning van een aanvraag tot wijziging van zendvergunning (beslissing 2025/009).
Tot slot vloeide één beslissing (2025/015) voort uit een klacht die de VRM ontving van nv Rato afzonderlijk en nv Rato samen met vzw Totaal Radio tegen vzw Stadsradio Antigoon. Beide klachten werden door de VRM samengevoegd en samen behandeld.
De klachten hebben als onderwerp de vermeende niet-conformering van vzw Stadsradio Antigoon aan het door haar ingediende erkenningsdossier, met name wat betreft inhoudelijke en technische aspecten van de uitzendingen. Vzw Stadsradio Antigoon werd op 21 oktober 2022 erkend als lokale radio-omroeporganisatie voor frequentiepakket 015.
Zo zou vzw Stadsradio Antigoon volgens de klagers inhoudelijk volledig afgeweken zijn van het ingediende erkenningsdossier en zich zo niet meer houden aan de basisvoorwaarden van de erkenning door de Vlaamse Regering. Volgens de klagers worden hierdoor inbreuken begaan op artikel 144 en 146 van het Mediadecreet. Er zouden geen of onvoldoende live-uitzendingen zijn en er zou ook sprake zijn van programmatorische afwijkingen van het in de erkenningsaanvraag voorziene programma-aanbod.
Volgens de klagers zendt vzw Stadsradio Antigoon technisch niet correct uit op de haar toegekende frequenties of voor het vooropgestelde gebied van het frequentiepakket 15. Enkel op de frequentie van Kapellen zou er correct worden uitgezonden.
In een klacht wordt ook melding gemaakt van de aanwezigheid van een “dubieuze eigendomsstructuur”, waarbij de controle over vzw Stadsradio Antigoon draait rond een persoon die tevens eigenaar is van een netwerkradio-omroeporganisatie.
Wat de ontvankelijkheid van de klachten betreft, is de algemene kamer van de VRM van oordeel dat beide klagende partijen over voldoende belang beschikken, dit m.b.t. het onderdeel van de klachten over de vermeende niet-naleving door vzw Stadsradio Vlaanderen van haar erkenningsdossier. De VRM verwijst daarvoor naar de mogelijke oneerlijke concurrentie die zij zouden hebben ondervonden en de (nieuwe) kans op een erkenning, indien de erkenning van vzw Stadsradio Antigoon zou worden opgeheven.
Wat betreft de “dubieuze eigendomsstructuur” laten de klagers echter na om hun belang te verduidelijken. Ze geven niet aan op welke manier zij zouden benadeeld zijn door deze vermeende schending van artikel 136 van het Mediadecreet, waardoor de klacht wat dit onderdeel betreft niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor klachten bij de VRM.
In functie van de beoordeling ten gronde heeft de onderzoekscel van de VRM naar aanleiding van de voorliggende klachten op 6 mei 2025 technische controles uitgevoerd op de vergunde zendlocaties van vzw Stadsradio Antigoon. Daaruit blijkt dat er technische installaties aanwezig zijn en ook uitzendingen plaatsvinden. Anders dan de klagende partijen aanvoeren, voldoet vzw Stadsradio Antigoon dus aan haar verplichtingen als lokale radio-omroeporganisatie om binnen het toegewezen zendgebied in FM uit te zenden, zoals voorzien in artikel 133, § 1, eerste lid van het Mediadecreet.
De onderzoekscel van de VRM heeft ook een inhoudelijke controle uitgevoerd en de uitzendingen van vzw Stadsradio Antigoon beluisterd op 5 mei (12u-17u) en 6 mei 2025 (09u-13u). Uit de vaststellingen blijkt dat vzw Stadsradio Antigoon tussen 9u en 17u gepresenteerde programma’s brengt met om het uur nationaal nieuws en om het half uur regionale info.
De algemene kamer van de VRM is van oordeel dat deze vaststellingen overeenstemmen met de basisvoorwaarden voor erkenning en met de inhoud en het profiel uit het erkenningsdossier van vzw Stadsradio Antigoon waarop het erkenningsbesluit is gesteund. Vzw Stadsradio Antigoon begaat aldus geen inbreuken op artikel 146, § 2, eerste lid, van het Mediadecreet.
Wel blijkt dat de uitgezonden programma’s niet meer overeenkomen met het programmaschema zoals bijgevoegd in de oorspronkelijke erkenning, hetgeen vzw Stadsradio Antigoon overigens toegeeft in haar schriftelijke opmerkingen. Dergelijke wijzigingen ten aanzien van het ingediende erkenningsdossier zijn toegestaan, maar de VRM moet hiervan wel op de hoogte worden gebracht (artikel 146, § 2, van het Mediadecreet). Vzw Stadsradio Antigoon heeft nagelaten dit te doen. De VRM waarschuwt vzw Stadsradio Antigoon hiervoor.
3.1.2. Stimuleringsregeling
In het kader van de nieuwe eengemaakte stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector, zoals vervat in artikelen 188/1 t.e.m. 188/8 van het Mediadecreet en bijhorend uitvoeringsbesluit van 26 april 2024 (zie tevens supra), nam de VRM in juli 2025 veertien beslissingen tot erkenning van de ingediende dossiers aangaande Vlaamse productieprojecten (beslissingen 2025/026 t.e.m. 2025/039), het dubbele van in 2024.
Bovendien werden in januari 2026 nog eens vijf projecten erkend naar aanleiding van het tweede indieningsmoment op 15 oktober (beslissingen 2026/008 t.e.m. 2026/012), wat het totaal voor de cyclus 2025 op 19 erkenningsbeslissingen brengt.
Daarnaast nam de algemene kamer op 27 januari 2025 een beslissing (2025/006) over de vervanging van een aantal leden van de beoordelingscommissie (zie tevens supra).
Ingevolge de nieuwe regelgeving hadden drie leden van de oude beoordelingscommissie immers aan de VRM laten weten dat zij niet langer konden deelnemen aan de beoordelingscommissie. Bijgevolg diende in hun vervanging te worden voorzien.
Overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2024 heeft het Vlaams Audiovisueel Fonds op 9 januari 2025 een dubbele lijst met kandidaten voorgedragen.
De VRM besliste hierop om mevrouw Anja Berlanger, de heer Luc Delrue en de heer Thijs Van Quickenborne te benoemen als lid van de beoordelingscommissie.
3.1.3. Betrouwbare flagger i.k.v. de Digitaledienstenverordening (DSA)
Het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI) diende bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) een officieel verzoek in om erkend te worden als ‘betrouwbare flagger’ in de zin van artikel 22 van de Digitaledienstenverordening (DSA).
Onder de betrokken bevoegde autoriteiten voor de Digitaledienstenverordening in België bestond consensus over het voorstel van het BIPT om de behandeling van het verzoek van het VMRI aan de VRM toe te wijzen (overeenkomstig artikelen 4, § 2, tweede lid, 4°, en 10 van het DSA-samenwerkingsakkoord).
De VRM is binnen de Vlaamse Gemeenschap aangeduid als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 49 van de Digitaledienstenverordening en het toezicht werd als taak aan de algemene kamer van de VRM toevertrouwd.
Artikel 22, tweede lid, van de Digitaledienstenverordening stelt drie voorwaarden, aan elk waarvan een entiteit moet aantonen te voldoen om de status van ‘betrouwbare flagger’ te verkrijgen:
- Specifieke expertise en bevoegdheid voor het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud;
- Onafhankelijkheid van enige aanbieder van onlineplatforms;
- Activiteiten uitvoeren met als doel meldingen zorgvuldig, nauwkeurig en objectief te doen.
Door de VRM werd een toetsing uitgevoerd van de afzonderlijke toekenningsvoorwaarden. Er kan geconcludeerd worden dat het VMRI aantoont dat het voldoet aan elk van de drie voorwaarden voor het verkrijgen van de status van ‘betrouwbare flagger’, vermeld in artikel 22, tweede lid, van de Digitaledienstenverordening.
De status van ‘betrouwbare flagger’ wordt bijgevolg toegekend aan het VMRI (beslissing 2025/048).
Als ‘betrouwbare flagger’ zal het VMRI ten minste één keer per jaar een eenvoudig te begrijpen en uitvoerig rapport over de meldingen die gedurende de relevante periode zijn gedaan dienen te publiceren, overeenkomstig artikel 22, derde lid, van de Digitaledienstenverordening.
De status van ‘betrouwbare flagger’ kan door de algemene kamer van de VRM steeds worden geschorst en desgevallend ook ingetrokken, overeenkomstig respectievelijk het zesde en zevende lid, van artikel 22 van de Digitaledienstenverordening.
Het VMRI is aldus opgenomen in de openbare databank van de Europese Commissie van entiteiten die in verschillende lidstaten de status van ‘betrouwbare flagger’ hebben verkregen, overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de Digitaledienstenverordening.
3.1.4. Klachten tegen televisieomroeporganisaties
Bij beslissing 2025/020 werd een klacht tegen Ring TV deels onontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Met twee aangetekende brieven van 25 april 2025 hebben twee partijen bij de VRM een identieke klacht ingediend tegen vzw Regionale Televisie Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde (Ring TV).
De klagende partijen stellen in hun klacht dat Ring TV geen tijdige beslissing heeft genomen over de kandidatuur van een van hen om toe te treden tot de algemene vergadering van Ring TV. Zij zien hierin een schending door Ring TV van de artikelen 171 en 172 van het Mediadecreet, van artikel 6 iuncto artikel 21 van haar statuten, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en een belemmering van de “democratische representatie”. Artikel 171 van het Mediadecreet schrijft voor dat de algemene vergadering van een regionale televisieomroeporganisatie representatief wordt samengesteld, rekening houdend met politieke, sociale, culturele, levensbeschouwelijke en regionale criteria. Artikel 172 van het Mediadecreet bepaalt dat ook het bestuursorgaan van een regionale televisieomroeporganisatie representatief moet worden samengesteld en met name voor niet meer dan een vijfde mag bestaan uit, onder andere, leden die een politiek mandaat uitoefenen.
De VRM beslist dat uit het loutere feit dat op korte termijn geen beslissing is genomen door Ring TV over de kandidatuur om toe te treden tot de algemene vergadering van Ring TV doch dat de kandidatuur op de volgende algemene vergadering van Ring TV zal worden behandeld, op zich geen schending van de vermelde representativiteitsbepalingen kan worden afgeleid. Er kan bijgevolg geen schending van artikel 171 en artikel 172 van het Mediadecreet worden vastgesteld waardoor dit onderdeel van de klacht ongegrond is.
Wat betreft de voorgehouden schending van de statuten van de regionale omroeporganisatie en de beginselen van behoorlijk bestuur en de voorgehouden belemmering van de democratische representatie is de klacht niet ontvankelijk.
De VRM ontving daarnaast een klacht tegen VRT wegens vermeende “schending van de taalverplichting”. De klager voert aan dat VRT via YouTube, onder de noemer ‘VRT Heimwee’, verschillende reportages publiceert, waaronder ‘Hoe de grootste bank van België ten onder ging | 2009’. Deze oorspronkelijke Panorama-reportage bevat Franstalige interviews, die niet ondertiteld zijn noch een voice-over in het Nederlands hebben. De klager geeft aan als Nederlandstalige kijker deze stukken niet begrepen te hebben.
VRT verduidelijkt dat ‘VRT Heimwee’ een pilootproject is, waarmee zij nostalgische content uit haar archief opnieuw tot leven brengt op sociale media. Per vergissing werd bij de publicatie geen ondertitelingsbestand toegevoegd, waardoor er geen Nederlandstalige ondertiteling zichtbaar was bij deze Franstalige onderdelen. Deze vergissing is inmiddels rechtgezet.
De VRM heeft de schriftelijke opmerkingen van de VRT aan de klager bezorgd. De klager heeft daarop aan de VRM laten weten dat hij zijn klacht intrekt gelet op de voormelde rechtzetting.
Bijgevolg werd de procedure stopgezet (beslissing 2025/055).
3.2. In 2025 hebben negenentwintig beslissingen van de VRM betrekking op commerciële communicatie. De sancties voor de in deze gevallen vastgestelde inbreuken variëren hierbij van waarschuwingen (in twintig dossiers) tot administratieve geldboetes (in negen dossiers).
Al deze beslissingen zijn het resultaat van ambtshalve procedures op tegenspraak.
Vierentwintig beslissingen hadden betrekking op (de herkenbaarheid van commerciële communicatie bij) content creators die met hun profielen en kanalen onder de toepassing van het Mediadecreet vallen, waarover meer onder punt 3.2.5.
De overige vijf beslissingen betreffen commerciële communicatie in de uitzendingen van de openbare (twee beslissingen), private (twee beslissingen) en regionale (één beslissing) televisieomroeporganisaties.
3.2.1. Commerciële communicatie voor een onderneming actief in de tabakssector
Beslissing 2025/022 vloeide voort uit de controle door de onderzoekscel van de VRM van de uitzending van de programmareeks ‘Z-Business Transformation’ door Belgian Business Television via ‘Kanaal Z’ (nu: ‘Trends Z’) op 6 maart 2025, 13 maart 2025, 20 maart 2025, 27 maart 2025 en 3 april 2025.
In de programmareeks stond op bovengenoemde data één van ’s werelds grootste internationale tabaksondernemingen centraal waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de productie of verkoop van tabaksproducten. De onderzoekscel van de VRM stelde vast dat in deze programmareeks vertegenwoordigers van de tabaksonderneming de onbeperkte mogelijkheid kregen om de beschikbaarheid en het gebruik van de rookvrije alternatieven uit het productengamma van het bedrijf doorheen de hele reeks te promoten. Week na week werd op die manier, aldus de onderzoekscel, een vaste opname van een imago- en verkoopbevorderende bedrijfsreportage in het zendschema opgenomen, zonder dat sprake was van een neutraal informerende of journalistiek gebruikelijke benadering, waarbij de achterliggende commerciële doelstellingen van het bedrijf op enige wijze onderzoekend, terughoudend of kritisch werden bekeken.
Artikel 65 van het Mediadecreet bepaalt in deze echter dat commerciële communicatie over sigaretten, elektronische sigaretten en navulverpakkingen en andere tabaksproducten verboden is. Artikel 101, 1°, bepaalt dat programma's in geen geval productplaatsing mogen bevatten voor sigaretten en andere tabaksproducten, elektronische sigaretten en navulverpakkingen, of ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de productie of verkoop van die producten.
De VRM oordeelt dat Belgian Business Television een inbreuk heeft begaan op deze artikelen.
Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM rekening met het gegeven dat inbreuken op bepalingen inzake commerciële communicatie die de bescherming van de gezondheid van eindgebruikers beogen, ernstige inbreuken zijn. Anderzijds wordt rekening gehouden met het beperkte bereik van de betrokken uitzendingen.
De VRM besluit Belgian Business Television een administratieve geldboete van 7.500 euro op te leggen.
3.2.2. Productplaatsing
De eerste uitspraak van de algemene kamer in 2025 (beslissing 2025/001) betrof productplaatsing in de uitzending van het programma ‘Iedereen Beroemd’ op VRT1 op 4 november 2024.
In het programma wordt de rubriek ‘Met De Doos In Huis’ uitgezonden, opgedeeld in drie fragmenten doorheen de aflevering. In deze rubriek bezoekt een programmamedewerkster een gezin en legt een opdracht voor waarbij een (geld)prijs van 500 euro kan worden gewonnen. In de betrokken aflevering kan een cadeaukaart van een webwinkel gewonnen worden.
De onderzoekscel van de VRM stelt vast dat het merklogo gedurende 107 seconden getoond wordt; de volledige duurtijd van de rubriek bedraagt 456 seconden. Het merklogo wordt dus gedurende meer dan 23% van de duurtijd van de rubriek getoond.
Het Mediadecreet laat omroeporganisaties toe om commerciële communicatie uit te zenden. Ze moeten hierbij wel rekening houden met de beperkingen en verplichtingen die worden vermeld in het Mediadecreet.
Artikel 100, § 1, van het Mediadecreet bepaalt de voorwaarden waaraan programma’s met productplaatsing moeten voldoen. Zo mogen de producten of diensten in kwestie geen overmatige aandacht krijgen.
De VRM oordeelt dat VRT de limieten overschrijdt van de aandacht die in geval van productplaatsing aan de partner in kwestie mag worden besteed. Er is aldus sprake van overmatige aandacht.
Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM voorts rekening met volgende elementen:
- Het programma werd in prime time uitgezonden en heeft een groot aantal kijkers bereikt.
- Aan VRT werden in het verleden reeds herhaaldelijk administratieve geldboetes opgelegd voor zeer gelijkaardige inbreuken.
De VRM besluit VRT een administratieve geldboete van 15.000 euro op te leggen.
3.2.3. Sponsoring
In twee gevallen kregen respectievelijk een private televisieomroeporganisatie en de openbare omroep een waarschuwing omdat een duidelijke sponsoridentificatie ontbrak en zij aldus een inbreuk op artikel 91, eerste lid, 3°, van het Mediadecreet begingen (beslissingen 2025/054 en 2025/044).
3.2.4. Publi-reportage
De onderzoekscel van de VRM controleerde de uitzendingen van de particuliere regionale televisieomroeporganisatie Ring TV op 10 mei 2025 (17u – 20u). Tijdens de onderzochte periode werd tweemaal een programma uitgezonden met een duurtijd van ongeveer 8 minuten en 30 seconden betreffende een plaatselijk keuken- en maatwerkbedrijf. Door het feit dat een aankondiging als publi-reportage ontbrak, werd dit aan de kijker voorgesteld als een regulier programma onder de titel ‘Viva! Wonen’. Nochtans bleek uit de inhoud van de uitzending dat het om een publi-reportage ging.
De VRM stelt vast dat hierdoor een inbreuk werd begaan op artikel 79, § 1, van het Mediadecreet. Dat artikel bepaalt dat televisiereclame, met uitzondering van zelfpromotie, duidelijk herkenbaar moet zijn en moet kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Reclame moet met visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van het programma worden gescheiden.
Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM, al kan worden aanvaard dat het om een “menselijke fout” gaat, ook rekening met het gegeven dat de schending van het principe van de scheiding van reclame, met inbegrip van publi-reportages, en redactionele inhoud een ernstige inbreuk vormt en dat bij Ring TV reeds eerder verschillende inbreuken op dezelfde bepaling van het Mediadecreet werden vastgesteld.
De VRM besluit Ring TV een administratieve geldboete van 1.500 euro op te leggen (beslissing 2025/021).
3.2.5. Content creators
Ook in 2025 situeerde de aandacht voor herkenbaarheid van commerciële communicatie zich overwegend op het vlak van de content creators.
De herziene Europese Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten werd in 2021 omgezet in het Vlaamse Mediadecreet. Hierdoor kunnen kanalen en profielen op sociale mediadiensten zoals YouTube, Instagram en TikTok ook beschouwd worden als audiovisuele mediadiensten of omroepdiensten. Bijgevolg moeten ook de bepalingen uit het Mediadecreet met betrekking tot commerciële communicatie nageleefd worden door content creators, influencers en vloggers die onder de definitie van omroeporganisatie vallen, waaronder artikel 53, dat bepaalt dat commerciële communicatie en boodschappen van algemeen nut gemakkelijk als zodanig herkenbaar moeten zijn.
Op de vergadering van 27 september 2021 heeft de algemene kamer van de VRM als leidraad aangenomen dat er alleszins sprake is van een duidelijk herkenbare aanduiding indien volgende drie elementen cumulatief aanwezig zijn in elke video:
- Het woord “advertentie” of “publiciteit” staat aan het begin van de beschrijving;
- Het merk, product of dienst is getagd aan het begin van de beschrijving;
- De disclaimer feature voor het gebruik van commerciële communicatie van de platformdienst werd geactiveerd bij het uploaden van de video.
In december 2021 heeft de VRM het Content Creator Protocol (CCP) op zijn website gepubliceerd. Dit CCP werd nadien ook nader toegelicht op een webinar, door middel van informatievergaderingen en via persoonlijke contactopname. In het CCP worden aanwijzingen gegeven voor het duidelijk herkenbaar maken van commerciële communicatie voor volgers en kijkers. De VRM dient echter steeds in concreto, geval per geval, te beoordelen of commerciële communicatie al dan niet gemakkelijk als zodanig herkenbaar is.
In 2022 heeft de VRM zich voor het eerst uitgesproken over de herkenbaarheid van commerciële communicatie op sociale mediakanalen en -profielen van content creators. In drie gevallen is sanctionerend opgetreden en werden zij gewaarschuwd. In 2023 nam de VRM negentien beslissingen waarbij de content creators gewaarschuwd werden voor het niet gemakkelijk als zodanig herkenbaar maken van commerciële communicatie. Na de eerste administratieve geldboete voor een content creator eind 2023 (beslissing 2023/057), volgden in 2024 nog drie beslissingen waarbij content creators gelet op recidive een boete van telkens 1.500 euro opgelegd kregen (beslissingen 2024/034, 2024/042, 2024/043). Het ging hierbij eveneens telkens om herhaalde inbreuken op de in artikel 53 van het Mediadecreet vervatte verplichting om commerciële communicatie gemakkelijk als zodanig herkenbaar te maken.
In 2025 kregen achttien content creators hiervoor een waarschuwing, aangezien dergelijke inbreuk bij hen voor het eerst bij VRM-beslissing werd vastgesteld (beslissingen 2025/004, 2025/005, 2025/007, 2025/012, 2025/013, 2025/016, 2025/017, 2025/018, 2025/019, 2025/023, 2025/024, 2025/025, 2025/042, 2025/043, 2025/045, 2025/050, 2025/052 en 2025/053).
Aan vijf andere content creators werden administratieve geldboetes van 1.000 tot 5.000 euro opgelegd voor schendingen van artikel 53 van het Mediadecreet, gelet op recidive en rekening houdend met omstandigheden zoals het bereik (beslissingen 2025/002, 2025/003, 2025/008, 2025/046 en 2025/047).
Bij beslissing 2025/049 legde de algemene kamer tot slot een boete van 5.000 euro op aan CDMC Works BV wegens inbreuken op de regelgeving inzake het duidelijk herkenbaar maken van commerciële communicatie die gericht is op kinderen en jongeren (artikel 71 van het Mediadecreet) en het verbod op productplaatsing in kinderprogramma’s (artikel 99 van het Mediadecreet).
De onderzoekscel van de VRM heeft met name de online video “Ik Werkte Vermomd In Een Winkel Voor 1 Dag… (Grappig) #720”, die op 29 juni 2025 door ‘CDMC Works BV’ op het YouTube-kanaal ‘CEMI Celine & Michiel’ werd geplaatst, aan een onderzoek onderworpen.
Het concept van de video (met een duurtijd van ongeveer 20 minuten) bestaat erin dat Céline Dept zich vermomt als verkoopster in een Torfs-winkel. Zij spreekt er kinderen aan en nodigt ze uit om schoenen te passen en te kiezen. Hierbij komen de CEMI-schoenen uitgebreid aan bod. Michiel Callebaut volgt vooral mee achter de schermen met een verborgen camera. Er wordt telkens gekeken hoe lang het duurt vooraleer het kind door de vermomming heen kan kijken en Céline Dept herkent. Ten slotte krijgen de kinderen de gekozen CEMI-schoenen cadeau.
Uit het beeldmateriaal blijkt dat het merk Torfs en de CEMI-schoenen uitgebreid aan bod komen in deze video. De merkbenamingen worden meerdere keren genoemd en verschijnen ook veelvuldig in beeld gedurende de video. Doorheen de volledige video regent het positieve uitlatingen vanwege de – bij kinderen zeer populaire – Céline Dept en Michiel Callebaut over de CEMI-schoenen. De betrokken beelden en bewoordingen zijn onmiskenbaar commercieel en promotioneel van aard. De kinderen worden in lovende bewoordingen naar het aanbod van CEMI-schoenen gestuurd. Ze ontvangen de aangeprezen schoenen gratis als een zeer begerenswaardig iets.
Mede gelet op de bestaande commerciële verhouding tussen CDMC Works BV / CEMI en het merk Torfs kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat de betrokken schoenencollectie en de winkelketen waar deze exclusief verkrijgbaar zijn, als het ware toevallig als setting voor deze video zouden zijn gebruikt. Er kan dan ook moeilijk worden ontkend dat deze video net kadert binnen deze commerciële verhouding en dus onmiskenbaar bijdraagt tot de promotie van zowel het merk waarmee commercieel wordt samengewerkt als het betrokken productgamma ervan.
Uit de betroffen video blijkt volgens de algemene kamer duidelijk dat de betrokken commerciële communicatie die doorheen het programma verweven zit, gericht is op kinderen in de zin van artikel 71 van het Mediadecreet.
Niet alleen brengt de video immers doorlopend jonge kinderen in beeld, maar het ganse opzet van de video is erop gericht om een bepaald gamma van schoenen te promoten ten aanzien van personen onder de leeftijd van twaalf jaar, nu deze kinderen hun leeftijdsgenoten te zien krijgen in een voor hen aantrekkelijke setting die onlosmakelijk verband houdt met een enkel specifiek schoenmerk. Verschillende elementen van de kwestieuze video, zoals de speelse presentatie en vormgeving en het gesproken en geschreven taalgebruik – hoewel elk op zich genomen misschien niet doorslaggevend – dragen hiertoe bij en versterken elkaar, nu zij in casu immers allen op eenduidige wijze worden ingezet om de CEMI-schoenen en het merk ‘Torfs’ positief onder de aandacht te brengen bij kinderen.
De video bevat echter geen duidelijke aanduiding van het commerciële karakter ervan. Zo werd het woord “advertentie” of “publiciteit” niet vermeld en ook de ‘platform disclosure’-functionaliteit (“bevat betaalde promotie”) werd niet geactiveerd.
De VRM besluit dan ook dat CDMC Works BV bij de betreffende video commerciële communicatie die gericht is op kinderen voor hen niet duidelijk als zodanig herkenbaar heeft gemaakt.
De betrokken commerciële communicatie kan als productplaatsing in de zin van artikel 2, 30°, van het Mediadecreet worden gekwalificeerd. Het gaat hier dan over productplaatsing in een programma dat zich voornamelijk richt tot kinderen in de zin van artikel 2, 19°, van het Mediadecreet.
Bijgevolg heeft CDMC Works BV ook artikel 99 van het Mediadecreet geschonden dat productplaatsing in kinderprogramma’s verbiedt.
Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM rekening met het feit dat inbreuken op bepalingen inzake commerciële communicatie die de bescherming van kinderen beogen, ernstige inbreuken zijn. Bovendien werd ook rekening gehouden met het aanzienlijke bereik van de betrokken video.
De VRM besluit een administratieve geldboete van 5.000 euro op te leggen.